New Book: Cities and Solidarities

9781138943612Cities and Solidarities: Urban Communities in Pre-Modern Europe has just appeared with Routledge. The volume comprises the outcomes of two conference sessions held in 2014.

From the cover:

Cities and Solidarities charts the ways in which the study of individuals and places can revitalise our understanding of urban communities as dynamic interconnections of solidarities in medieval and early modern Europe. This volume sheds new light on the socio-economic conditions, the formal and informal institutions, and the strategies of individual town dwellers that explain the similarities and differences in the organisation and functioning of urban communities in pre-modern Europe. It considers how communities within cities and towns are constructed and reconstructed, how interactions amongst members of differing groups created social and economic institutions, and how urban communities reflected a sense of social cohesion. In answering these questions, the contributions combine theoretical frameworks with new digital methodologies in order to provoke further discussion into the fundamental nature of urban society in this key period of change. The essays in this collection demonstrate the complexities of urban societies in pre-modern Europe, and will make fascinating reading for students and scholars of medieval and early modern urban history.

More information at the publisher’s website.

Advertisements

EU@Amsterdam: bundel en lezingen

Ter gelegenheid van het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2016 is er een bundel met essays verschenen over de EU@AmsterdamEuropese stad. Vooruitlopend op de stedelijke agenda van de EU schrijven de auteurs over hoe wij vroeger, nu en straks samen leven in de stad, wat de functies van de stad zijn en welke veranderingen er naar verwachting zullen optreden. Samen vormen de auteurs daarmee een informele stedelijke raad die een advies geeft over de toekomst van de Europese steden. EU@Amsterdam bespreekt onder meer de verscheidenheid aan bewoners, uiteenlopende stedelijke ontwikkelingen en inzicht in de rol van steden in de Europese integratie in onderlinge netwerken en in verhoudingen tot andere bestuurslagen zoals de nationale staat en Europa.

Bovendien worden er in het nieuwe jaar een vijftal publieksbijeenkomsten georganiseerd met lezingen over de huidige en toekomstige rol van de stad in Europa. Voor meer informatie: EU@Amsterdam – Pakhuis De Zwijger.

Nieuw boek: Cultuurgeschiedenis van de Middeleeuwen

Cultuurgeschiedenis van de MiddeleeuwenDeze week verschijnt het nieuwe handboek Cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen, onder redactie van mijn collega’s Rob Meens en Carine van Rhijn. Hierin heb ik bijdrage geschreven over ‘De middeleeuwen als een tijd van stilstand? Markten en gemeenschappen in Europa, ca. 1000-1300’.

Flaptekst:

‘Middeleeuws’ staat vaak synoniem voor achterlijk, simpel en primitief. Deze waardering van de periode 500-1500 n.Chr. voert terug op humanistische opvattingen over het begrip ‘middeleeuwen’ als een tijd van achteruitgang en stagnatie. Aan de andere kant zijn de middeleeuwen ook een grote bewondering ten deel gevallen. Zo vond men in deze periode de basis van de moderne Europese naties. Katholieken zagen de middeleeuwen als de periode waarin Europa echt christelijk was, terwijl anderen juist spraken van een tijd vol van bijgeloof. Dergelijke oordelen over de middeleeuwen leven in de huidige samenleving nog volop. Dit handboek wil deze (voor)oordelen als uitgangspunt gebruiken voor een kennismaking met de cultuur van de middeleeuwen. Het boek laat zien waar dergelijke oordelen vandaan komen en hoe historici tegenwoordig over dit tijdperk denken. Het boek biedt zowel kennis van de middeleeuwse cultuur als een reflectie op het denken over de middeleeuwen.

Meer informatie op de website van de uitgever.

De toekomst van de geesteswetenschappen

De Groene Amsterdammer publiceerde afgelopen week een aardige special over de staat en toekomst van de geesteswetenschappen. Ik was in het voorjaar gevraagd om mee te werken aan het onderzoek en gaf de onderstaande antwoorden op de gestelde vragen:

Het gesprek van cultuur over zichzelf

Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?

De meest veelbelovende ontwikkeling in de historische wetenschappen is de trend naar een grotere interdisciplinaire oriëntatie, zowel binnen de geesteswetenschappen als daarbuiten. De zogeheten culturele wending in de sociale en humane wetenschappen, die overigens al bijna een halve eeuw gaande is, is een eerste oorzaak van deze ontwikkeling. De gedachte dat cultuur constitutief is voor sociale relaties, identiteiten en instituties vindt in verschillende varianten gehoor onder geesteswetenschappers, maar ook onder sociologen, antropologen, politicologen en zelfs economen. Structuralistische benaderingen tot de maatschappij, politiek en economie worden tegenwoordig verbonden met analyses van sociaal-culturele praktijken, waarnemingen, ervaringen, handelingen, enzovoort, evenals hun symbolische en talige representaties. Een goed voorbeeld is het belang dat veel politicologen, sociologen en economen (samengebracht onder de paraplu van het new institutionalism) tegenwoordig hechten aan het samenspel tussen sociale regelsystemen – oftewel instituties – en de agency van individuen om politieke, sociale en economische ontwikkelingen te duiden en te verklaren. Hierdoor heeft een toenemend aantal sociale wetenschappers en economen vandaag de dag belangstelling voor het verleden. Er zou voorzichtig gesproken kunnen worden van een historisch wending. Dit blijkt duidelijk uit de tweede factor, namelijk de vele bestsellers die de langetermijnevolutie van mens, samenleving en natuur bestuderen. Als voorbeelden kunnen dienen Jared Diamond’s Guns, Germs and Steel (2007) of Daron Acemoglu en James Robinson’s Why Nations Fail (2012). Dergelijke studies geven een impuls aan historisch onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe methodologische benaderingen, al hebben historici pas laat de meerwaarde van dit type interdisciplinair onderzoek ingezien. De focus op nieuwe onderzoekthema’s leidt eveneens tot de ontwikkeling van nieuwe subdisciplines, zoals de digital humanities, maar heeft als keerzijde het verlies van kennis en technische vaardigheden in traditionele vakken.

Hoe ziet u de toekomst van uw discipline?

Op grond van de genoemde ontwikkelingen staat de geschiedwetenschap er goed voor. In het postideologische tijdperk is haar toekomst de wetenschappelijke bestudering van het verleden, waarvan de resultaten voor zeer diverse doeleinden van belang kunnen zijn. Wat betreft het voorbestaan van de discipline zijn er echter twee knelpunten, die nauw verbonden zijn aan de voortschrijdende marktwerking in de academische wereld en bedrijfsmatige organisatie van de universiteit. Ten eerste legt de organisatorische koppeling tussen onderzoek en academisch onderwijs een beperking op aan het personeelsbeleid. Het aantal hoogleraren en universitair docenten neemt af en de middelen ontbreken om te investeren in goede historici die hun onderzoek willen combineren met het geven van onderwijs. Dit probleem wordt versterkt door de financiële prikkel om het onderzoek vooral door goedkope jonge onderzoekers met flexibele contracten te laten verrichten, voor wie er uiteindelijk geen toekomst is aan de universiteit. Het financiële kortetermijnbelang prevaleert feitelijk over een duurzaam personeelsbeleid. Door de concurrentiestrijd tussen universiteiten wordt er bovendien meer waarde gehecht aan de kwantiteit van onderzoek en onderwijs dan aan geselecteerde kwaliteit. Als Nederland en Europa de kenniseconomie echt willen versterken, dan moet er een duidelijk perspectief worden geboden aan onderzoekers. Een tweede probleem is de zichtbaarheid van de geschiedwetenschap in Nederland. Het vergroten daarvan kan wellicht de bovenstaande problemen deels oplossen. Enerzijds zouden Nederlandse universiteiten actiever studenten moeten werven uit het buitenland door de aantrekkingskracht van de geboden opleidingen en voorzieningen te verbeteren. Anderzijds is het mogelijk om onderzoek en onderwijs verder te ontvlechten. Gezien het feit dat veel onderzoek al met externe middelen gefinancierd wordt, kan deze maatregel de slagkracht van onderzoeksinstituten om fondsen te verwerven vergroten. Een consequentie hiervan zou wel zijn dat het onderzoek sterker gestuurd wordt door externe partijen en programmatisch afgestemd op de wensen van de geldschieters. Zoals is voorspeld en in de praktijk blijkt, staat het ‘wie betaalt, bepaalt’-principe haaks op de idee van academische vrijheid als organisatieprincipe van wetenschap.

Wat is het belang van de geesteswetenschappen?

Allereerst moet opgemerkt worden dat het belang van de geesteswetenschappen niet bestaat, want dat zijn er meerdere al naar gelang de invulling die men aan het woord ‘belang’ geeft. Ter aanvulling op de wetenschappelijke betekenis van het onderzoek kan bijvoorbeeld de economische waarde van het onderwijs worden genoemd. Jaarlijks studeren er duizenden studenten af aan de geesteswetenschappelijke faculteiten, die in zeer diverse sectoren aan de slag gaan. De geesteswetenschappen scoren ook hoog als het gaat om efficiency in onderzoek en onderwijs: gemeten naar geïnvesteerde middelen en gegenereerde academische output doen ze het beter dan veel andere academische disciplines. Ten slotte wordt geesteswetenschappelijk onderzoek benut in discussies over maatschappelijke vraagstukken en is het van groot belang voor de sociaal-culturele sector. Toch is het veelzeggend dat deze vraag aan geesteswetenschappers wordt gesteld. Er ontbreekt namelijk een eenduidig antwoord op, ondanks de vele pleidooien voor de geesteswetenschappen die geschreven zijn. In zekere zin zijn de geesteswetenschappen als academische organisatie een mooi voorbeeld van exaptatie; ze kennen een geleidelijke verschuiving in functie. De intellectuele en ideologische onderscheidingen die ten grondslag lagen aan het ontstaan van de geesteswetenschappen (of humaniora) zijn in het licht van latere technologische en sociale ontwikkelingen niet langer houdbaar. De vraag is gerechtvaardigd of de geesteswetenschappen in hun huidige vorm zelf niet een historisch (en Westers) verschijnsel zijn. Als dat het geval blijkt te zijn, dan hebben de geesteswetenschappen alleen toekomst door zich te transformeren, bijvoorbeeld door het verband tussen het onderzoek dat ze genereren, en interdisciplinaire vraagstukken over maatschappelijke thema’s weer zichtbaar te maken. Om dit mogelijk te maken zouden academici uit de geesteswetenschappen een deel van hun energie en creativiteit moeten steken in het praktijkgericht maken en het communiceren van hun ideeën en onderzoeksresultaten. De maatschappelijke waarde van de geesteswetenschappen ligt uiteindelijk daarin dat ze een stem zijn in het gesprek dat de hedendaagse cultuur over zichzelf voert, naast die van onder meer de kunst, journalistiek en politiek. De academische stem hoeft niet de sterkste te zijn, maar is door haar methodologische benadering wel een onmisbare.

Geschiedenis van Zeeland

Op 14 september 2012 is het eerste deel van Geschiedenis van Zeeland. Prehistorie tot 1550 verschenen. De nieuwe provinciale geschiedschrijving zal uiteindelijk vier boeken omvatten. Het eerste deel van Geschiedenis van Zeeland beschrijft direct de langste periode uit de Zeeuwse geschiedenis, van prehistorie tot 1550. In het grootste deel van die tijd valt amper over Zeeland te spreken. De auteurs richten zich ruwweg op het gebied dat tot de huidige provincie wordt gerekend. In de middeleeuwen worden de contouren van het huidige Zeeland steeds beter zichtbaar. Vier ijkpunten geven de lezer in dit eerste deel houvast. Het derde ijkpunt, 1300, markeert het eind van een periode van sterke bevolkingsgroei. In die periode hadden de bewoners de kernen van de eilanden bedijkt en was het netwerk van dorpen en steden gevormd dat voor een groot deel nog steeds bestaat. Het laatste ijkpunt, 1550, staat aan de vooravond van de Nederlandse Opstand. Het sluit een periode af waarin de Scheldedelta zich economisch sterk had ontwikkeld in het kielzog van de grote handels- en industriesteden Brugge, Gent en Antwerpen.

Meer informatie

Edelen in Zeeland

Op 26 november 2010 is de handelseditie van mijn proefschrift gepresenteerd in Middelburg:

Edelen in Zeeland. Macht, rijkdom en status in een laatmiddeleeuwse samenleving (Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2010).

Flaptekst
Het beeld van een adel in verval in de laatmiddeleeuwse Nederlanden is niet langer houdbaar, maar het is onduidelijk welke positie edelen dan wel hadden in de samenleving. In Edelen in Zeeland worden de contouren van de adellijke populatie in het graafschap Zeeland tussen 1400 en 1550 geschetst. De centrale vraag is hoe de macht, rijkdom en status van de adel als groep en hoe de reproductiestrategieën van de individuele edelen zich ontwikkelden in een periode die werd gekenmerkt door staatsvorming, verstedelijking en commercialisering. De politieke geschiedenis en sociale instituties van Zeeland drukten een belangrijk stempel op het karakter van de adel. De diversiteit in politieke en economische profielen tussen de edelen was groot, maar zij behielden gemeenschappelijke sociale netwerken. De adellijke identiteit en levensstijl kwamen in de zestiende eeuw meer in het teken te staan van staatsdienst dan van ridderschap.

Meer informatie of bestellen

Recensies