Conference Sessions on Urban Communities, 1300-1650

As part of our research on the history of late-medieval and early modern urban communities, my colleague Dr Justin Colson (University of Exeter) and I are organising two conference panels this year. We have brought together two sets of promising papers: one about new social and economic perspectives on the formation of urban communities in pre-modern Europe; the other about new (digital) methodologies that have been developed to examine urban life. The sessions are:

I will also present papers at both events myself, although in different panels, which are titled:

  • Guild Welfare in Urban Europe, c.1300-1550
  • The Building Blocks of Communities? Urban Neighbourhoods in Late-Medieval Europe

De toekomst van de geesteswetenschappen

De Groene Amsterdammer publiceerde afgelopen week een aardige special over de staat en toekomst van de geesteswetenschappen. Ik was in het voorjaar gevraagd om mee te werken aan het onderzoek en gaf de onderstaande antwoorden op de gestelde vragen:

Het gesprek van cultuur over zichzelf

Wat is, volgens u, de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?

De meest veelbelovende ontwikkeling in de historische wetenschappen is de trend naar een grotere interdisciplinaire oriëntatie, zowel binnen de geesteswetenschappen als daarbuiten. De zogeheten culturele wending in de sociale en humane wetenschappen, die overigens al bijna een halve eeuw gaande is, is een eerste oorzaak van deze ontwikkeling. De gedachte dat cultuur constitutief is voor sociale relaties, identiteiten en instituties vindt in verschillende varianten gehoor onder geesteswetenschappers, maar ook onder sociologen, antropologen, politicologen en zelfs economen. Structuralistische benaderingen tot de maatschappij, politiek en economie worden tegenwoordig verbonden met analyses van sociaal-culturele praktijken, waarnemingen, ervaringen, handelingen, enzovoort, evenals hun symbolische en talige representaties. Een goed voorbeeld is het belang dat veel politicologen, sociologen en economen (samengebracht onder de paraplu van het new institutionalism) tegenwoordig hechten aan het samenspel tussen sociale regelsystemen – oftewel instituties – en de agency van individuen om politieke, sociale en economische ontwikkelingen te duiden en te verklaren. Hierdoor heeft een toenemend aantal sociale wetenschappers en economen vandaag de dag belangstelling voor het verleden. Er zou voorzichtig gesproken kunnen worden van een historisch wending. Dit blijkt duidelijk uit de tweede factor, namelijk de vele bestsellers die de langetermijnevolutie van mens, samenleving en natuur bestuderen. Als voorbeelden kunnen dienen Jared Diamond’s Guns, Germs and Steel (2007) of Daron Acemoglu en James Robinson’s Why Nations Fail (2012). Dergelijke studies geven een impuls aan historisch onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe methodologische benaderingen, al hebben historici pas laat de meerwaarde van dit type interdisciplinair onderzoek ingezien. De focus op nieuwe onderzoekthema’s leidt eveneens tot de ontwikkeling van nieuwe subdisciplines, zoals de digital humanities, maar heeft als keerzijde het verlies van kennis en technische vaardigheden in traditionele vakken.

Hoe ziet u de toekomst van uw discipline?

Op grond van de genoemde ontwikkelingen staat de geschiedwetenschap er goed voor. In het postideologische tijdperk is haar toekomst de wetenschappelijke bestudering van het verleden, waarvan de resultaten voor zeer diverse doeleinden van belang kunnen zijn. Wat betreft het voorbestaan van de discipline zijn er echter twee knelpunten, die nauw verbonden zijn aan de voortschrijdende marktwerking in de academische wereld en bedrijfsmatige organisatie van de universiteit. Ten eerste legt de organisatorische koppeling tussen onderzoek en academisch onderwijs een beperking op aan het personeelsbeleid. Het aantal hoogleraren en universitair docenten neemt af en de middelen ontbreken om te investeren in goede historici die hun onderzoek willen combineren met het geven van onderwijs. Dit probleem wordt versterkt door de financiële prikkel om het onderzoek vooral door goedkope jonge onderzoekers met flexibele contracten te laten verrichten, voor wie er uiteindelijk geen toekomst is aan de universiteit. Het financiële kortetermijnbelang prevaleert feitelijk over een duurzaam personeelsbeleid. Door de concurrentiestrijd tussen universiteiten wordt er bovendien meer waarde gehecht aan de kwantiteit van onderzoek en onderwijs dan aan geselecteerde kwaliteit. Als Nederland en Europa de kenniseconomie echt willen versterken, dan moet er een duidelijk perspectief worden geboden aan onderzoekers. Een tweede probleem is de zichtbaarheid van de geschiedwetenschap in Nederland. Het vergroten daarvan kan wellicht de bovenstaande problemen deels oplossen. Enerzijds zouden Nederlandse universiteiten actiever studenten moeten werven uit het buitenland door de aantrekkingskracht van de geboden opleidingen en voorzieningen te verbeteren. Anderzijds is het mogelijk om onderzoek en onderwijs verder te ontvlechten. Gezien het feit dat veel onderzoek al met externe middelen gefinancierd wordt, kan deze maatregel de slagkracht van onderzoeksinstituten om fondsen te verwerven vergroten. Een consequentie hiervan zou wel zijn dat het onderzoek sterker gestuurd wordt door externe partijen en programmatisch afgestemd op de wensen van de geldschieters. Zoals is voorspeld en in de praktijk blijkt, staat het ‘wie betaalt, bepaalt’-principe haaks op de idee van academische vrijheid als organisatieprincipe van wetenschap.

Wat is het belang van de geesteswetenschappen?

Allereerst moet opgemerkt worden dat het belang van de geesteswetenschappen niet bestaat, want dat zijn er meerdere al naar gelang de invulling die men aan het woord ‘belang’ geeft. Ter aanvulling op de wetenschappelijke betekenis van het onderzoek kan bijvoorbeeld de economische waarde van het onderwijs worden genoemd. Jaarlijks studeren er duizenden studenten af aan de geesteswetenschappelijke faculteiten, die in zeer diverse sectoren aan de slag gaan. De geesteswetenschappen scoren ook hoog als het gaat om efficiency in onderzoek en onderwijs: gemeten naar geïnvesteerde middelen en gegenereerde academische output doen ze het beter dan veel andere academische disciplines. Ten slotte wordt geesteswetenschappelijk onderzoek benut in discussies over maatschappelijke vraagstukken en is het van groot belang voor de sociaal-culturele sector. Toch is het veelzeggend dat deze vraag aan geesteswetenschappers wordt gesteld. Er ontbreekt namelijk een eenduidig antwoord op, ondanks de vele pleidooien voor de geesteswetenschappen die geschreven zijn. In zekere zin zijn de geesteswetenschappen als academische organisatie een mooi voorbeeld van exaptatie; ze kennen een geleidelijke verschuiving in functie. De intellectuele en ideologische onderscheidingen die ten grondslag lagen aan het ontstaan van de geesteswetenschappen (of humaniora) zijn in het licht van latere technologische en sociale ontwikkelingen niet langer houdbaar. De vraag is gerechtvaardigd of de geesteswetenschappen in hun huidige vorm zelf niet een historisch (en Westers) verschijnsel zijn. Als dat het geval blijkt te zijn, dan hebben de geesteswetenschappen alleen toekomst door zich te transformeren, bijvoorbeeld door het verband tussen het onderzoek dat ze genereren, en interdisciplinaire vraagstukken over maatschappelijke thema’s weer zichtbaar te maken. Om dit mogelijk te maken zouden academici uit de geesteswetenschappen een deel van hun energie en creativiteit moeten steken in het praktijkgericht maken en het communiceren van hun ideeën en onderzoeksresultaten. De maatschappelijke waarde van de geesteswetenschappen ligt uiteindelijk daarin dat ze een stem zijn in het gesprek dat de hedendaagse cultuur over zichzelf voert, naast die van onder meer de kunst, journalistiek en politiek. De academische stem hoeft niet de sterkste te zijn, maar is door haar methodologische benadering wel een onmisbare.

Call for Papers: EAUH 2014

Call for Papers for a Session: ‘Studying Urban Communities in Pre-Modern Europe: Connecting Theories and Methodologies’ at the 12th International Conference on Urban History, Portugal, Lisbon, 3-6 September 2014

Deadline for abstracts: 15 November 2013

Organisers: Justin Colson (University of Exeter) and Arie van Steensel (Utrecht University)

Towns and cities in medieval and early modern Europe were not unified, homogenous entities, but were comprised of numerous interwoven communities, just as cities are today. Yet how were these urban communities defined within pre-modern Europe? Urban communities are frequently regarded as having been defined by institutions and by shared interests, ranging from occupation to location of residence and even ethnicity. Yet did political and economic structures and institutions define community, or conversely, were those institutions and patterns a result of communal identities and practices? Therefore, did changing institutional and political forms of the early modern period result in social change, or were they more symptomatic of this occurring?
This session examines this interplay at the period of transition between medieval and modern periods to re-examine debates relating both to the emergence of ‘modern’ forms of association, and the perceived decline of ‘traditional community’. In recent years historians from throughout Europe have been revaluating these issues from both perspectives. While many have followed Henri Lefebvre’s concepts of space and place to examine the city itself as an influence upon communities, others have embraced Keith Wrightson’s questioning of whether the medieval city had ever been more ‘neighbourly’ than the early modern.
Historians have also employed new perspectives and methodologies to examine pre-modern urban life, focusing upon such questions as citizenship, neighbourhood, migration, the role of guilds and fraternities, religious organisation and difference, and household strategies. The availability of different sources and the difference in social and political forms throughout Europe will offer a host of perspectives and comparisons of the forms of urban sociability and organisation.
New methodologies within the Digital Humanities are particularly important in unlocking urban sources in new ways, including Social Network Analysis and Geographic Information Systems. Scholars are using these methodologies to unlock source materials for pre-modern urban Europe, which are often voluminous and otherwise difficult to interpret, while digitisation projects are enabling large-scale analysis on unprecedented scales. Yet these techniques have their pitfalls, not least in terms of steep learning curves and technical constraints framing the scope and design of research. Are scholars in danger of diverging between those led by theoretical frameworks, and those led by Digital Humanities methodologies?
This session aims to bringing together papers covering a wide range of European contexts, and conceptual and methodological approaches, and provoke discussion into the fundamental nature of urban society in this key period of change.

Further information:
Please submit paper proposals of no more than 300 words online at the conference website before 15 November 2013. Candidates will be informed about the selection of papers by 15 December 2013.

Selected paper participants are expected to circulate their full papers before the start of the conference. The organisers are planning an edited volume of the papers contributed to this session, which will be published afterwards.

About EAUH: please visit the conference website.

Call for Papers: ESSHC 2014

Call for Papers for a Session on ‘Urban Communities in Europe, 1300-1650: New Social and Economic Perspectives’ at the European Social Science History Conference (ESSHC), Austria, Vienna, 23-26 April 2014

Deadline for abstracts: 15 April 2013

Organisers: Justin Colson (University of Exeter) and Arie van Steensel (Utrecht University)

Communities in medieval and early modern urban societies, as in modern cities, were never static entities, but were created through a continuous process of everyday human interaction. Over the past decades, scholars have offered new insights into the collective civic and cultural identities of towns across Europe, through ritualised political celebrations and religious processions. The unity of the idealised urban community was, however, undermined by the multiple, often overlapping and competing, sub-communities within the walls of each town. Urban communities were constituted of numerous solidarities between town-dwellers who, for example, shared the same occupation, ethnicity, religion, neighbourhood or political objectives, rather than ties of kinship or fealty. Thus, the formation of urban communities was as much a process of inclusion as of exclusion; solidarity and conflict were two sides of the same coin.
Seeking to capture the dynamic process of community formation, this session takes a critical approach to current conceptions of urban communities in late-medieval and early modern Europe as an ideal, unified corporation, body or civil society. It asks how social groups within towns were constructed and reconstructed, and how they reflected a sense of social cohesion and identity. What kind of social institutions emerged from the interaction amongst members of differing groups and solidarities, and, in turn, how did these institutions come to structure these interactions? How were social and spatial boundaries between social groups created and sustained within the urban community? Above all, the session aims to tease out the social and economic factors that patterned the formation of urban (sub-)communities by comparing developments in different towns.
Therefore, this call invites contributions that develop new perspectives on the formation of urban communities in late-medieval and early modern Europe. One the one hand, papers with a more theoretical focus are welcomed, combining political-cultural with socio-economic approaches to the notions of community and solidarity. On the other, papers may examine specific case studies, for example, on the role of citizenship, occupational clustering, poor relief and parochial or neighbourhood life in shaping social boundaries and solidarities. Together, the papers should shed new light on the socio-economic conditions, the formal and informal institutions and the strategies of town dwellers that explain the similarities and differences in the organisation and functioning of urban communities in pre-modern Europe.

Further information:
Please send abstracts of around 500 words for papers to the organisers, Arie van Steensel (a.vansteensel@uu.nl) and Justin Colson (j.r.colson@exeter.ac.uk). Deadline for paper abstracts is 15 April 2013. Candidates will be informed about the selection of papers by 1 May 2013, after which the session will be submitted to the ESSHC organisers.

If the session is accepted, participants are expected to circulate their full papers before the start of the conference. The organisers are planning an edited volume of the papers contributed to this session, which will be published afterwards.

About ESSHC: please visit the conference website.

Geschiedenis van Zeeland

Op 14 september 2012 is het eerste deel van Geschiedenis van Zeeland. Prehistorie tot 1550 verschenen. De nieuwe provinciale geschiedschrijving zal uiteindelijk vier boeken omvatten. Het eerste deel van Geschiedenis van Zeeland beschrijft direct de langste periode uit de Zeeuwse geschiedenis, van prehistorie tot 1550. In het grootste deel van die tijd valt amper over Zeeland te spreken. De auteurs richten zich ruwweg op het gebied dat tot de huidige provincie wordt gerekend. In de middeleeuwen worden de contouren van het huidige Zeeland steeds beter zichtbaar. Vier ijkpunten geven de lezer in dit eerste deel houvast. Het derde ijkpunt, 1300, markeert het eind van een periode van sterke bevolkingsgroei. In die periode hadden de bewoners de kernen van de eilanden bedijkt en was het netwerk van dorpen en steden gevormd dat voor een groot deel nog steeds bestaat. Het laatste ijkpunt, 1550, staat aan de vooravond van de Nederlandse Opstand. Het sluit een periode af waarin de Scheldedelta zich economisch sterk had ontwikkeld in het kielzog van de grote handels- en industriesteden Brugge, Gent en Antwerpen.

Meer informatie

Edelen in Zeeland

Op 26 november 2010 is de handelseditie van mijn proefschrift gepresenteerd in Middelburg:

Edelen in Zeeland. Macht, rijkdom en status in een laatmiddeleeuwse samenleving (Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2010).

Flaptekst
Het beeld van een adel in verval in de laatmiddeleeuwse Nederlanden is niet langer houdbaar, maar het is onduidelijk welke positie edelen dan wel hadden in de samenleving. In Edelen in Zeeland worden de contouren van de adellijke populatie in het graafschap Zeeland tussen 1400 en 1550 geschetst. De centrale vraag is hoe de macht, rijkdom en status van de adel als groep en hoe de reproductiestrategieën van de individuele edelen zich ontwikkelden in een periode die werd gekenmerkt door staatsvorming, verstedelijking en commercialisering. De politieke geschiedenis en sociale instituties van Zeeland drukten een belangrijk stempel op het karakter van de adel. De diversiteit in politieke en economische profielen tussen de edelen was groot, maar zij behielden gemeenschappelijke sociale netwerken. De adellijke identiteit en levensstijl kwamen in de zestiende eeuw meer in het teken te staan van staatsdienst dan van ridderschap.

Meer informatie of bestellen

Recensies